|
Letterlijk overgenomen van de website van de Erasmus Universiteit (was: http://www2.eur.nl/studium/algemeen/Artslavernij.htm, maar bestaat niet meer)
Afro-Surinaamse familienamen, een complexe erfenis van het slavernijverledendoor dr. A.van Stipriaan gepubliceerd in het tijdschrift ROEST 19 (2004) Het Nederlands slavernijverleden is de laatste jaren steeds meer in de belangstelling komen te staan. Er is, in Amsterdam, een nationaal slavernijmonument en een instituut gekomen, diverse tentoonstellingen zijn en worden aan het onderwerp gewijd en steeds vaker is te horen dat het slavernijverleden geen afgesloten hoofdstuk is, maar dat velen nog steeds geconfronteerd worden met de erfenis daarvan, bijvoorbeeld in de vorm van racisme en etnische vooroordelen. Het hierna volgend artikel behandelt een enkel aspect van die erfenis, namelijk de meest 'tastbare' vorm van identiteit: namen, in dit geval Afro-Surinaamse familienamen.
Slavernij is een vorm van arbeidsmobilisering waarbij, in plaats van bijvoorbeeld loon of verwantschap, geweld de belangrijkste prikkel is om een ander voor je te laten werken. Dat is meestal een combinatie van fysiek en mentaal geweld, omdat het de ander absoluut duidelijk moet zijn dat er geen ontsnappen is aan zijn minderwaardige status. Op die manier was, zeker het transatlantisch slavernijsysteem, waarvan ook Nederland enkele eeuwen deel heeft uitgemaakt een aaneenschakeling van zowel fysieke als mentale aanslagen op de persoonlijke autonomie van tot slaaf gemaakte Afrikanen. En die aanslagen gingen voort tot op de laatste dag van de slavernij. Op 1 juli 1863 werd, decennia nadat de Britten en Fransen die stap hadden gekomen ook door Nederland de slavernij afgeschaft, na jarenlange politieke debatten over de hoogte van de financiële vergoeding aan de slavenhouders. De vrijgelatenen kregen géén vergoeding, louter hun vrijheid. Bovendien kregen de circa 45.000 vrijgelaten Afro-Surinamers en Afro-Antillianen als nieuwe burgers allemaal een familienaam. Die nieuwe identiteit werd hen van bovenaf opgelegd, daar hadden zij geen zeggenschap over. Zo werden voor de circa 34.000 vrijgelaten Afro-Surinamers ongeveer 10.000 nieuwe namen bedacht en daarmee werd hun identiteit definitief vorm gegeven. Om dit alles in goede banen te leiden, bezochten koloniale ambtenaren ten tijde van de Emancipatie alle plantages, zoals blijkt uit de memoires van de toenmalige opzichter op plantage Potribo, Bartelink[i] : "Groot was de vreugde en opgewondenheid der slaven, toen in de maand Juni 1863 de Districts Commissaris van Beneden- en Boven Commewijne, de heer van Son, op de plantage aankwam om de slaven mede te deelen, dat den eersten Juli zij vrije menschen zouden zijn. Hij was vergezeld van zijn Secretaris, den heer C. Faverey, die de slaven voor vrijdom inschreef en hun familienamen toekende." Het was dan ook een complexe operatie. Zo mochten er geen bestaande familienamen worden gebruikt, om eventuele juridische consequenties te voorkomen, verwanten dienden zoveel mogelijk dezelfde naam te krijgen, ook al bevonden zij zich vaak op verschillende plantages en er mochten geen twee verantengroepen dezelfde naam krijgen. Dat leidde tot een verzameling namen die tot op de dag van vandaag als typisch (Afro-) Surinaams herkend kunnen worden. Over die namen-erfenis valt, met het nodige voorbehoud, wel het een en ander te zeggen, zeker wanneer we op zoek gaan naar patronen en verbanden. [ii] Zo kunnen in een willekeurige steekproef van ruim 500 familienamen, uitgedeeld op verschillende plantages de volgende categoriseringen worden gemaakt. [iii] Van ongeveer een derde van de namen is de achtergrond en betekenis niet te duiden. Hiertoe behoren namen als Sarvrini, Savala, Severon, Blanus, Blellok, of Bombar. Met heel veel speurwerk zal overigens de logica van nog heel wat namen wel achterhaald kunnen worden, zoals de nietszeggende naam Breukel pas enige betekenis krijgt in de wetenschap dat hij is uitgedeeld op plantage Breukelerwaard en daar ook de naam Waard werd geconstrueerd. Maar dat monnikkenwerk is in dit geval niet ondernomen. Waarschijnlijk is dan ook de categorie naamsverwijzingen groter dan de circa tien procent in deze steekproef. Het betreft hier namen die op een of andere wijze zijn afgeleid van bestaande namen van koloniale families. Soms ging het daarbij om een verwantschapsrelatie, bijvoorbeeld de kinderen die een planter bij een slavin had verwekt, soms was het een verwijzing naar degene tot wiens bezit de naamdragers tot dan toe hadden behoord. Zo zijn er alle mogelijke variaties op namen van slavenhouders geconstrueerd. In deze steekproef kwam bijvoorbeeld een hele serie variaties voor op de naam Samson: Sam, Samon, Samsen, Samso, Samsey, Samons, ook veel gebruikt waren allerlei soorten omkeringen zoals Semil (van Limes) en Serkei (van Keiser), of naamdelen zoals Seca en Secafon van de Portugees-Joodse naam da Fonseca. Ongeveer een zesde van de namen is een (variatie op een) geografische naam, van Bloemendaal tot Bodegrave, van De Saan tot De Schelde, van Salamanca tot Seedorf en van Saksen tot Scotland. De grootste categorie, bijna de helft van alle namen in deze steekproef wordt gevormd door bestaande Nederlandse woorden (bijna tweevijfde) en woordcombinaties (rond een tiende). Laatsgenoemde is een groep die iedereen die een beetje met Suriname bekend is direct als een Afro-Surinaamse familienaam zal herkennen. Het gaat namelijk om combinaties die op het eerste gehoor begrijpelijk klinken, maar in tweede instantie toch geen bestaand woord vormen, zoals in dit geval Bladheuvel, Blufpand, of Bliksteen. [iv] Over de rest van deze categorie van bestaande Nederlandse woorden valt overigens nog wel meer te zeggen wanneer hij wat verder wordt uitgesplitst. Zo lijkt het in eerste instantie om een volstrekt willekeurige keuze van woorden te gaan. Toch is er een groep namen die bij nadere beschouwing waarschijnlijk wel degelijk in relatie stond tot de degene die de naam kreeg opgelegd. Er waren bijvoorbeeld namen waarbij waarschijnlijk de slavennaam als uitgangspunt voor de familienaam was genomen, zoals Sergeant of de omkeringen Sezom en Saalocin. Verder werden er namen opgelegd die waarschijnlijk verwezen naar het uiterlijk van de betrokkene, zoals Bleek, Blackson, Blaauw of Scarlet en het is ook best mogelijk dat degene die Schilfer werd genoemd een huidziekte had, of dat de naamdrager van Bollig er ook zo uitzag, om maar te zwijgen van Schoonheid. Daarnaast kwamen er beroepsaanduidingen voor, zoals Blikslager en Schipper, of karakterkenmerken zoals Boncoeur. Ook was er een groep namen die waarschijnlijk verwees naar de afschaffing van de slavernij zoals Blij, Blijd, Blijdschap en eventueel Boeksluit. En tenslotte een groep namen die verwezen naar de context waarin de vrijgelatenen leefden en werkten zoals Schep, Bolletrie (een boomsoort), Bonkelrad (onderdeel van de suikermolen), Schroef of Seinpaal (op deze plantage bevond zich een telegraaftoestel). Wat vervolgens resteert is een groep die niet anders dan als bizar valt te omschrijven, ook al is er wellicht soms een verwijzing naar de individuele persoon bij te bedenken. Hiertoe behoren namen als Bloemkool, Bloemperk, Blunder, Bonapart, Sandaal, Sap, Schaduw of Servet. Maar daar houdt het niet mee op, want in feite kan ook een heel aantal van de namen uit de vorige groep tot de categorie ‘bizar’ worden gerekend, want wie zou zichzelf, in geval van vrije keuze Bonkelrad of Seinpaal hebben genoemd? En ook de geografische namen, voor zover zij niet betrekking hadden op de Surinaamse werkelijkheid, zoals plantagenamen als Bleijendaal of Schoonoord, zouden tot de categorie bizarre namen gerekend kunnen worden. Dat in Nederland een groot deel van de familienamen een geografische verwijzing is heeft meestal direct met de geschiedenis van de betreffende families te maken, maar dat de hele landkaart van Europa terug te vinden is als Afro-Surinaamse familienamen is eerder absurd te noemen en had in ieder geval niets met de werkelijkheid van de naamdragers van doen. In zekere zin gold dat zelfs voor vrijwel alle familienamen, aangezien zij in het Nederlands waren, een taal die slaven niet spraken, terwijl er vrijwel geen namen voorkwamen in de taal die zij wel spraken, het Sranan.[v] Daarmee lijkt dus op het laatste moment de slavenmeester toch nog definitief zijn stempel op de Afro-Surinaamse identiteit te hebben kunnen drukken. Voor een deel is dat ook zo, want waar de Afro-Surinamer of Nederlander van (deels) Afro-Surinaamse komaf sindsdien ook gaat of staat, altijd draagt hij of zij deze erfenis van het verleden met zich mee als deel van zijn of haar identiteit. Maar er is ook nog een andere kant aan het verhaal. In al die levenssferen waar de formele namen er niet toe doen werden en worden tot op de dag van vandaag andere namen gebruikt. Dat kunnen bijnamen zijn, maar ook vaak verbasteringen of creoliseringen van de achternamen. Zo worden niet alleen alle Stanleys Stanga genoemd en alle Yvonnes Wonnie en wordt Gerrit meestal aangesproken met Kera en Carlos met Kaya, maar ook familienamen als Blokland, Linger, Campagne, Pinas, of Hasselnook worden in de dagelijkse omgang getransformeerd tot respectievelijk Blokkie, Linka, Kampa, Pinto en Nokie. Deze namen werden en worden gebruikt in informele situaties in zowel het privé- als het publieke leven. Regelmatig komt het voor dat mensen zelfs elkaars officiële namen niet eens kennen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de gewoonte om bij rouwadvertenties aan de formele naam meestal de formulering toe te voegen ‘meer bekend als...’ en dan volgt de bijnaam, die dus minstens zo bepalend is voor de (toegeschreven) identiteit als de formele naam, want zonder deze toevoeging zouden velen niet weten wie er is overleden. Een rondgang langs twintig van mijn Afro-Surinaamse vrienden en kennissen leert dat slechts vier van hen geen vaste bijnaam hebben.[vi] Van de overige 16 hebben drie een bijnaam die niet op de officiële naam is gebaseerd, bij de overigen is dat wel het geval en vijf van hen hebben zelfs twee soorten bijnamen.[vii] Van sommigen heb ik nog nooit een van hun formele namen gebruikt. Klasse lijkt in dit alles overigens ook een rol te spelen; niet eens zozeer in het hebben van een bijnaam, als wel in het gebruik ervan. Naarmate iemands maatschappelijke positie hoger is, is het aantal gelegenheden waarbij hij met zijn bijnaam wordt aangesproken beperkter, namelijk alleen bij de informelere en relatief intiemere gelegenheden. Dat geldt overigens niet voor bijvoorbeeld politici en entertainers die het juist van een populair imago moeten hebben en daarin speelt de -liefkozend gebruikte- bijnaam vaak een belangrijke rol.[viii] Sommige van de niet naam-afgeleide bijnamen, die meestal verwijzen naar iemands uiterlijk of naar een gebeurtenis uit diens leven, worden overigens alleen door de anderen gebruikt; de persoon in kwestie kent zo’n naam wel, maar zal er nooit zichzelf mee aanduiden. In dat geval gaat het dus louter om toegeschreven identiteit. Voor het overige geeft het naamgebruik aan dat hier eigenlijk niet meer van bijnamen kan worden gesproken. Het gaat om een volwaardig deel van de identiteit, die, afhankelijk van klasse en context, soms eerder de formele namen tot bijnaam maakt. Tegelijk staat meestal de informele naam ook weer niet helemaal los van de formele naam, zodat de erfenis van de slavernij toch ook deel is van dit zelf vormgegeven deel van de identiteit. Dit toont bij uitstek de complexiteit van het probleem. De geschiedenis van de (erfenis van de) slavernij laat niet louter slachtoffers van een rigide systeem zien, maar net zozeer ook een geschiedenis van verzet en creativiteit. Toch is het brandmerk van de slavenhouder dus nog steeds aanwezig en is het onderdeel van het emancipatieproces in de Afrikaanse diaspora dat men zich daar toenemend bewust van wordt. In de Verenigde Staten leidde dat er vanaf de jaren 1960 toe dat Afro-Amerikanen hun namen gingen veranderen, met als bekendste voorbeelden de provocerende X van Malcolm en de wereldkampioen boksen die van Cassius Clay veranderde in Muhammed Ali. Mocht zich die behoefte ook onder Afro-Nederlanders gaan voordoen, dan zou het, mijns inziens, van historisch besef getuigen wanneer de Nederlandse overheid zeer coulant zou zijn voor degenen die hun naam in een meer Surinaamse, of Afrikaanse zouden willen veranderen. [i] J.E. Bartelink, Hoe de tijden veranderen; herinneringen van een ouden planter (Paramaribo 1914) 59. [ii] Zie voor verklaring en categorisering van namen ook Alex van Stipriaan, ‘What’s in a name; slavernij en naamgeving in Suriname tijdens de 18e en 19e eeuw’, in Oso, Tijdschrift voor Surinaamse Taalkunde, Letterkunde en Geschiedenis 9, 1 (1990), 25-46; Peggy Plet en Okke ten Hove, ‘Magdalena Geurig, Elisa Christina Weefsel en Ketty Bekoorlijk; gender aspecten in Creools-Surinaamse familienamen’, in Oso, Tijdschrift voor Surinaamse Taalkunde, Letterkunde en Geschiedenis 22, 2 (2003), 308-325; Okke ten Hove e.a., Surinaamse Emancipatie (Amsterdam 2003) met name 44-47. [iii] De steekproef is samengesteld uit alle in 1863 uitgedeelde namen beginnend met Bla... tot en met Bor… en S... tot en met Sez..., totaal 522 namen. Paramaribo, CBB, Emancipatieregisters; zie ook Ten Hove e.a., Surinaamse Emancipatie (2003) 87-131. [iv] Denk bijvoorbeeld ook aan de bekende actrice en zangeres Gerda Havertong. [v] De Creoolse taal die de omgangstaal van Suriname vormt, die is ontstaan in de slaventijd en een linguïstische nieuwvorming is op basis van een vermenging van Europese en Afrikaanse talen [vi] Het is in dit geval beperkt tot mannen. Gebruik van bijnamen lijkt onder vrouwen iets minder prominent te zijn. [vii] Onder de formele naam wordt hier ook de officiële voornamen verstaan, waarvan geschiedenis en gebruik eveneens teruggaan tot de slavernij. Zie hiervoor Van Stipriaan, What's in a name (1990). [viii] Zo kent iedereen de (voormalige) presidenten Bouterse als Bouta, Wijdenbosch als Bosje en Venetiaan als Vene, al zijn het meestal alleen de volgelingen die zo’n naam ook –liefkozend- gebruiken. |