| | Oom Krisjan - uit Te koop wegens vertrek naast het paard waarop hij wedde sprak hij met de walm van kokolampu in zijn adem over Topibo nu onterfd geschonken aan imperialisten zijn geest was reeds eerder als exportprodukt geladen in ijzergebuikte reuzen zijn bezit - voorzover hij mocht bezitten - werd versmolten tot vliegtuigen voor Vietnam zijn handen betekenden arbeid voor hen zijn hart bauxiet zijn teelballen alluinaarde geen aanklacht was het slechts weemoed en ik sloop weg * kokolampu = olielamp
Michiel van Kempen schrijft hierover in deel 4 van Een Geschiedenis van de Surinaamse Literatuur : "August Kappler noemde in zijn Nederlandsch-Guyana van 1883 de plantage Topibo als een heuvel in het Para-landschap, waarin een planter zijn schatten verborgen zou hebben. Kappler zelf vond alleen een opening vol puin en ijzerhoudende stenen. Deze historische notie speelt natuurlijk mee in het gedicht van Pinas, zij het dat daarin de ‘schatten’ de gedaante hebben aangenomen van het bauxiet dat door imperialistische grootmachten wordt weggesleept. In de wending van de laatste regels wordt de eigen onmacht erkend."
| |  Eddy Pinas
Leven en werk van Eddy L. Pinas Eddy Louis Pinas is geboren op 10 september 1939 in Paramaribo. Hij studeerde bouwkunde en werkte als opzichter/tekenaar bij het Ministerie van Openbare Werken. In 1969 begon hij een zaak in elektrische huishoude lijke apparaten. In ‘96 beëindig de hij zijn bedrijfsactiviteiten. In de letteren ontwikkelde hij zich grotendeels als autodidact. Naast schrijver van enkele toneelstukken en verhalen - het satirische De econoom (1955/’56) en Gerda (1971); Julien Colijn (waarmee hij de eerste prijs won in een prijs vraag met als thema rondom de revolutie van 25-2-1980) en het Sranantalige San pesa mi Kaneri (in: Nieuwe Surinaamse verhalen, De Volksboekwinkel, 1986) - is Pinas in de eerste plaats een minor poet, een dichter met een klein oeuvre van bijzondere kwaliteit. In zijn eerste dichtbundel - Krawasi (1973; onder pseudoniem: 'Faceless X') - gebruikt hij taalelementen uit het alledaagse leven - ready made - die de bouwstenen zijn van het hele gedicht. Daarmee creëert hij een grimmige distantie tot de actualiteit. Deze grimmigheid - tussen ironie en sarcasme - zet zich voort in zijn tweede bundel Te koop wegens vertrek (1975). Maar nooit is het vrijblijvend schimpen, wel een fundamentele bezorgdheid om wat de toekomst brengen zal. Niet alleen naar vorm maar ook naar inhoud wijken zijn gedichten totaal af van wat er in de jaren ‘70 geschreven werd, een periode met veel poëzie van optimistische strekking. Daarnaast is er de pure lyriek en het weemoedige gedicht waarin hij zoekt naar een balans tussen engagement en afstandelijkheid. In een aantal niet-gebundelde gedichten uit de jaren ‘80 en daarna zoekt Pinas vaker het essentieel-menselijke, onder andere in zijn gedichten over 'Ston Oso' (een goede meta-foor voor het wel en wee van Suriname), en in het allerkleinste. Voorzover ons bekend is Eddy Louis Pinas de eerste Surinaamse dichter die poëzie schreef in het Braziliaans- Portugees Vida de caes/Honds in dWTL van 31-5-2003, nr. 772). Meer gedichten van Eddy in Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995). Eddy Pinas: "Ik kan toch ook niet stoppen met ademen?" Dag in dag uit raast het steeds drukker wordende verkeer door de straten van Paramaribo. Moe vaak passeer je niet ver trouwde kruispunten zonder nog oog te hebben voor de veranderingen in het straatbeeld? En dan krijg je enkele gedichten te lezen, alledrie Ston Oso’ genaamd. Je wordt gedwongen even stil te staan en je ogen te laten glijden langs de weerbarstige gevel van één van onze bekendste monumentale bouwvallen. Eddy L. Pinas heeft inmiddels al zeker tien gedichten over het pand op de hoek van de Zwartenhovenbrugstraat en de Dr. Sophie Redmondstraat geschreven. Vandaag publiceren we daar een drietal van. Ik vraag aan Eddy Pinas: Waarom Ston Oso? 'Je rijdt er voorbij, keer op keer, het raakt steeds verder in verval. Je denkt: ze moe ten het onderhouden, maar er gebeurt niets. Op een bepaald moment schreef Frits Wols er een gedicht over. Hij denkt terug aan vroeger, aan hoe het was. Terwijl ik door het zien van Ston Oso juist aan nu begin te denken. Ik ben toen het verval gaan volgen. Iedere keer ging ik er staan, liet het op me inwerken. Toen ik ermee begon was het al behoorlijk triest. Ik heb er foto’s van gemaakt en er zeker tien gedichten over geschreven.’ De gedichten gaan in de eerste plaats over de verwaarlozing van het gebouw zelf. Dit gebouw staat natuurlijk ook voor meerdere andere monumenten, straten, pleinen, enzovoort. Ston Oso staat in Suriname en niet elders. Het geeft ook een beeld van Suriname, hoe het staat met het waarderen van het cultureel erfgoed.’ Het woord cultuurbarbaren’ duikt een paar keer op in ons gesprek. De lelijke gebouwen die her en der verrijzen zijn niet naar Eddy’s smaak. De stad wordt er niet mooier op’, stelt hij droogjes vast. Dan wordt hij enthousiast: Het zou echt heel mooi zijn als men niet alleen op bouwkundige maar ook op esthetische zaken ging letten. Wat ik graag zou zien is dat Ston Oso wordt gerestaureerd en in gebruik wordt genomen als hoofdtoeristenbureau. Het ligt in het absolute centrum en midden tussen de belangrijkste busstations en winkelstraten.’ Wanneer ik vraag of hij niet een erg sombere kijk heeft op de toekomst, ontkent hij zonder enige aarzeling. Mijn visie is niet terneergeslagen. Ston Oso werkt op me in en veroorzaakt bij elke confrontatie opnieuw een gevoel van opstand tegen dit verval. Sommige mensen gaan dan schreeuwen, maar ik merk dat ik op een andere manier in opstand kom. Ik moet toegeven dat de gedichten niet vrolijk zijn, maar stemmen de affiches van feesten op een aftakelend gebouw dan vrolijker? Toch is er veel dat hoop geeft: het toerisme gaat met rasse schreden vooruit. Het is nu een haast volwassen tak van industrie geworden. De branche doet tegenwoordig professioneel aan. Suriname maakt over het algemeen een dynamische ontwikkeling mee. Je ziet dat de mensen erin gaan geloven. De drang om te vertrekken is aanmerkelijk minder geworden. Het toerisme maakt een ongelooflijke stap voorwaarts. Dat is niet vreemd omdat Suriname veel te bieden op het gebied van natuurschoon en culturele verscheidenheid.’ Er is niet een duidelijke drijfveer geweest voor het schrijven van deze serie gedichten. Ze zijn gewoon ontstaan. Van waaruit weet ik niet. Waarschijnlijk uit de behoefte die ik voel om de dingen op te schrijven als ik er mijn vinger niet ach ter kan krijgen. Het lijkt wel masochistisch, maar ik bleef het proces van minder worden volgen. Een gedicht is zo persoonlijk, het schrijven ervan gebeurt net vanuit een bepaalde behoefte. Het zit in je. Je maakt aantekeningen Dat is voor mij niet het moment om het al te delen. Pas wanneer ik het publiceer dan houdt het op; dan is het niet langer mijn kind. Publiceren staat los van het schrijven. Ik kan toch ook niet stoppen met ademen? Het is een fysiologisch proces. Sommige mensen denken dat je niet schrijft als je niet publiceert. Er zijn schrijvers die wél zo werken, die de publicatie al in hun hoofd hebben als ze aan het werk zijn. Dan ben je niet meer vrij.’ Op dit moment is Eddy Pinas bezig met een verzameling korte verhalen. Het meeste schrijfwerk is al gedaan, maar nu komt het moeilijkste - althans voor deze schrijver met een sterke neiging tot perfectie -: de puntjes op de i zetten. Soms schrijf ik maandenlang niets, dan een hele week achter elkaar. Niets is echt gereed voor publicatie. Bij het schrijven van proza is die drang waar we eerder over spraken minder. Ik weet nooit waar het naar toe gaat. Het is een zin die ik hoor, of iets dat ik zie... Het is wel de bedoeling dat het ooit een bundel wordt.’
Enkele gedichten van Eddy L. Pinas (1939) STON OSO (JULI 1990) voor Frits als bevestiging van ten minste een fysiek bestaan spreidt de bouwval zijn schaduw op de weg naast het zonlicht aan de zonnezijde speelt een kind vliegen nieuwe vogels oude tamarinden uit in de schaduw telt een zwerver de bakstenen in de gevel het onkruid dat uit de dakgoot neerhangt noemt hij guirlandes een verzakte stoep een lap waarop pakjes sigaretten ernaast een hosselvrouw bij de hoekpilaar heeft een kleinetafelhandelaar zijn koopwaar uitgestald het krantenkind met de Ware Tijd is de waarheid van de tijd deze tijd . | STON OSO (NOVEMBER 2002) Traag maar onherroepelijk sterft wat er sterven kan terwijl aan de muren barbaren feestjes bouwen overschreeuwen affiches met koppen van soulbrothers en politieke leiders het verkeersgejoel vanaf de gevels slingeren witte spandoeken schaamteloos met felgekleurde letters reclameboodschappen het kruispunt over zo wordt zin gegeven aan deze nationale schande paramaribo stinkt uit vele wonden maar deze deze is een ditosoro | STON OSO (NAJAAR 2003) de zon vreet zich een bestaan in de bakstenen gevel en de restanten kozijn waarvan de bladders reeds lang zijn weggewaaid vuile resten spandoek wapperen als vergeten vlaggen uit een voorbije tijd naast mij zeurt een vrouw over een verkeerd geparkeerde auto terwijl daar een stuk nalatenschap stil en roemloos ten onder gaat | KINDERREALITEIT Ik vind je lief mooie glimrode ronde kokriki met je zwart oogje zie je ook wanneer ik stout ben lieve roodronde glimmende kokkertje met het zwarte oog Eddy L. Pinas [In: Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995)] BRUG Auto’s daveren over de brug maar de kreek voert uit het bos nieuwe stilten aan Eddy L. Pinas [In: Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995)] |
Uit het dagblad 'De Ware Tijd Nederlandse editie' van 20 januari 2006. Auteurs: Jan Bongers en Marieke Visser. Tip ontvangen in het gastenboek van Marie op 21 januari 2006. Lees ook:
Reageer op dit artikel. (1 berichten) |